Gealarmeerde prairiehonden en eenzame mensen: Kort optreden op de nationale TV

AtlanticarticleBegin juni verscheen er een interview met de bioloog Con Slobodchikoff in het online tijdschrift The Atlantic over de communicatie van dieren. Slobodchikoff, inmiddels professor emeritus van de Northern Arizona University, is beroemd geworden door zijn onderzoek van priariehonden. Dat zijn geen honden, maar knaagdieren. Ze horen tot de familie van de eekhoorn en leven in grote groepen in ondergrondse netwerken van holen in het midwesten van de Verenigde Staten. Slobodchikoff heeft decennia lang het gedrag van prairiehonden bestudeerd en daarbij heeft hij ontdekt dat deze dieren aan elkaar communiceren wat voor soort roofdier er in aantocht is. Minutieuze analyse van de alarmkreten die de prairiehonden produceren toonde aan dat de knaagdieren verschillend klinkende kreten hebben voor de verschillende soorten roofdieren die op ze jagen. Zo hebben ze een apart roodstaartbuizerd-alarm, een coyote-alarm, een hond-alarm en zelfs een alarm voor de mens. Deze verschillende soorten alarmkreten zijn ontstaan omdat er bij elk roofdier een verschillende vluchtreactie past die het beste is om weg te komen van het roofdier. Playback experimenten toonden aan dat de prairiehonden de juiste vluchtreactie kiezen bij het horen van een roofdieralarm.

Informatie in alarmkreten

9780674031814_p0_v1_s260x420

Con Slobodchikoff’s eerste boek over de prairiehonden en hun communicatie, uit 2009.

Al sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw was bekend dat sommige dieren meerdere soorten alarmkreten voor roofdieren hebben. De biologen Dorothy Cheney en Robert Seyfarth van de University of Pennsylvania in Philadelphia ontdekten dat meerkatten (vervet monkeys in het Engels, kleinere apen die ten zuiden van de Sahara in Afrika veel voorkomen) een apart alarm voor luipaarden hadden, weer een ander alarm voor arenden en andere roofvogels, en een derde alarm voor slangen. Ook zij toonden d.m.v. playback experimenten aan dat de kreten informatie geven over het type roofdier wat in aantocht is. Sindsdien worden deze alarmkreten functioneel referentieel genoemd. Referentieel wil zeggen dat de kreten refereren of verwijzen naar zaken in de buitenwereld. Tot dan toe was de wetenschappelijke interpretatie van dierlijke communicatie dat dieren alleen maar hun gevoelens en passies uitdrukken in hun verschillende vormen van communicatie. Bij de alarmkreten van de meerkatten bleek voor het eerst dat dieren ook concrete informatie over iets in de buitenwereld aan elkaar communiceren, namelijk het type roofdier. De kreten worden functioneel referentieel genoemd, omdat ze functioneren als informatie gevend over de roofdieren om hen heen. Er is nog wel enige discussie in de wetenschap in hoeverre de meerkatten ook daadwerkelijk begrijpen welk roofdier eraan komt, of dat ze zonder echt besef van het type roofdier hebben geleerd welke vluchtreactie ze moeten kiezen. Toch is er wel een groeiende consensus onder wetenschappers dat de meest plausibele interpretatie moet zijn dat de dieren ook echt een mentaal plaatje in hun hoofd hebben van het type roofdier als ze een bepaalde alarmkreet horen. Zo scannen de meerkatten meteen de lucht zodra ze het arend-alarm horen en speuren ze de grond om hen heen af als het slangen-alarm wordt gegeven. Sindsdien zijn zulke verschillende alarmkreten ook aangetroffen bij stokstaartjes, katachtige roofdieren in Zuidelijk Afrika. Bij dieren die maar 1 uniforme vluchtreactie hebben bij alle types roofdieren vinden we maar 1 alarmkreet en geen meerdere, verschillende kreten. De bergmarmot vlucht altijd meteen zijn hol in en heeft daarom maar 1 alarmkreet.

Alarm! Grijze, dikke coyote in aantocht!

ad080c60fb1a2b5af2648d7e32ea2a22_XL

Slobodchikoff’s tweede boek, uit 2012

Bij de prairiehonden ontdekte Slobodchikoff dat hun alarmkreten niet alleen informatie geven over het type roofdier dat in aantocht is, maar zelfs een aantal fysieke kenmerken van het roofdier aangeven. Zo geven ze met een kleine verandering in het alarm aan wat de grootte, de dikte en de kleur van de vacht van het roofdier is. Zo kunnen ze elkaar meedelen dat er een grijze, dikke coyote in aantocht is, of een bruine, kleine coyote. Ze maken dan in beide gevallen het geluid van het coyote-alarm, maar met een kleine verandering, die door middel van sonogrammen of spectogrammen na computeranalyse goed te ontdekken is. Het is behoorlijk opmerkelijk dat de prairiehonden zo specifiek kunnen zijn in de informatie die ze aan elkaar geven over het roofdier wat hen belaagd. Waarom zouden ze elkaar informeren over de grootte, dikte of kleur van het roofdier? Alleen het type roofdier zou toch voldoende moeten zijn? Slobodchikoff interpreteert dat als volgt. Het zou te maken hebben met de verschillende soorten jachtgedrag van dezelfde, maar individueel verschillende  roofdieren. Zo jaagt de ene coyote altijd op dieren die het verst van hun hol zijn en gaat de andere coyote stil bij de ingang van het hol liggen en blijft daar rustig een uur lang liggen, tot de prairiehonden hun hoofd weer naar buiten steken en dan gepakt worden. Als ze nou weten welk individu er op de loer ligt, kunnen ze zorgen dat ze altijd dicht bij het hol blijven, of dat ze juist heel voorzichtig moeten zijn bij het weer uit hun hol kruipen. In onderstaand filmpje krijg je een mooi overzicht van het onderzoek naar de alarmkreten van prairiehonden:

Is het taal?

De concrete experimenten die Slobodchikoff heeft gedaan zijn wetenschappelijk correct uitgevoerd en, tenzij er van bedrog sprake is, mogen we ervan uitgaan dat prairiehonden inderdaad zelfs de fysieke kenmerken van roofdieren in hun alarmkreten aangeven. Hoe je vervolgens deze communicatie interpreteert is nog wel degelijk onderwerp van grote controverse. Slobodchikoff beweert namelijk dat de prairiehonden een echte taal hebben en dat deze na de menselijke taal de meest complexe vorm van taal is die de wetenschap op dit moment kent. Hij zegt zelfs dat de prairiehonden zelfstandige naamwoorden (het type roofdier) en bijvoeglijke naamwoorden (diens fysieke kenmerken) hebben in hun taal. Net als bij de apentaalcontroverse vanaf de jaren ’80 is deze discussie sterk afhankelijk van de specifieke definitie van ‘taal’ die men hanteert. Noem je alle communicatie van dieren taal dan is dat wel aardig als uitdrukking van de continuïteit tussen mensen en andere dieren, maar daarmee verlies je wel de mogelijkheid om de specifieke kenmerken van onze menselijke taal te onderscheiden van de meer eenvoudige vormen van dierlijke communicatie. Mijn eigen definitie van taal is als volgt: de menselijke taal kenmerkt zich door 1. de aanwezigheid van symbolen (woorden en gebaren die verwijzen naar zaken in de buitenwereld), 2. betekenisvolle combinatie van symbolen (de aanwezigheid van structuur regels voor het combineren van woorden en gebaren tot echte zinnen, waarmee men meer kan uitdrukken dan met alleen losse woorden), en 3. een rijkdom aan functies waarvoor de talige communicatie wordt gebruikt (niet alleen alarm slaan bijvoorbeeld, maar ook het uitdrukken van allerlei gedachten en gevoelens, het vertellen van verhalen en fantasieën). In mijn eigen onderzoek naar de prestaties van de grote mensapen in het taalonderzoek was mijn conclusie dat ook de niet-menselijke grote mensapen (mensen zijn namelijk ook mensapen!) geen taal hadden geleerd in deze projecten. De apen waren zeer goed in staat tot het leren en gebruiken van losse, individuele symbolen (in de vorm van gebaren of geometrische symbolen op een computerscherm), maar als ze symbolen gingen combineren was er geen sprake van zinnen, maar rijgden ze lukraak de symbolen die ze hadden geleerd aan elkaar, in een poging de mens te bewegen hen iets te geven. Qua functies was hun symboolgebruik van de apen beperkt tot maar 1 functie: het vragen om objecten of acties.

Als we nu naar de alarmkreten van de prairiehonden kijken, dan moet ook daar de conclusie zijn dat de prairiehonden geen taal hebben. Ook al hebben ze verschillende soorten kreten die informatie over het roofdier geeft, tot nu toe blijft het daartoe beperkt en gaan ze niet verder. Alleen in de context van een roofdier geven ze elkaar specifieke informatie, maar daarbuiten lijkt hun communicatie inderdaad vooral een uiting van hun emoties of intenties. Je kunt de alarmkreten ook niet echt woorden noemen, omdat woorden in allerlei contexten worden gebruikt en wij mensen boodschappen kunnen geven in de vorm van zinnen als “ik zag gisteren een griezelige coyote” of “ik vind coyotes maar vieze beesten” of “ik heb gedroomd over een enge coyote.” Ook Slobodchikoffs gebruik van de termen zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden gaat te ver. Alleen wanneer je echte zinnen kunt maken, compleet met alle structuurregels van de grammatica en syntaxis, kun je uberhaupt spreken van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden. Om die reden kun je beter spreken van objecten en eigenschappen. Eenzelfde fout zagen we plaatsvinden in het apentaalonderzoek: daar spraken sommige onderzoekers ook over zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden en werkwoorden. Maar uit niets was gebleken dat de mensapen het grammaticale stadium hadden bereikt. Het was daarom beter om over symbolen voor objecten, acties en eigenschappen van objecten te spreken. Ook bij menselijke kinderen zien we dat ze eerst in objecten, acties en eigenschappen spreken, voordat ze grammatica leren en ze grammaticale termen als zelfstandig en bijvoeglijk naamwoord en werkwoord leren en door hebben dat deze woorden met elkaar structureel in verband staan.

Is taal belangrijk dan?

Net als echolocatie uniek is voor dolfijnen en vleermuizen, is taal uniek voor mensen.

Net als echolocatie uniek is voor dolfijnen en vleermuizen, is taal uniek voor mensen.
(klik op het plaatje om een animatie te zien van de echolocatie)

Mijn conclusie is dus dat taal alleen bij mensen voorkomt. Ik krijg nog wel eens kritiek op deze conclusie. Men denkt dan dat ik door de term ‘taal’ voor te behouden aan mensen ik net als veel wetenschappers en filosofen in het verleden opnieuw bezig ben om een dichotomie, een tweedeling tussen mensen aan de ene kant en alle andere dieren aan de andere kant, in stand te houden. Maar dat is zeer zeker niet de motivatie waar mijn wetenschappelijke conclusie uit voortkomt. De reden waarom ik de term ‘taal’ wil beperken tot menselijke talige communicatie is om daarmee aan te geven dat de menselijke taal in een aantal opzichten heel anders van aard is dan de natuurlijke communicatie van andere dieren. Dat is nou eenmaal de enige conclusie die je kunt trekken na meer dan honderd jaar taalonderzoek met allerlei dieren en al het recente onderzoek van de natuurlijke communicatie van dieren. Dat wil echter niet zeggen dat mensen daardoor opeens hele bijzondere dieren zijn, die anders zijn dan alle andere dieren. Het gaat mij om de specifieke aard en werkelijke natuur van ieder dier. Bij mensen zien we dan dat wij een taalvermogen hebben dat we met geen ander dier delen, waar wij dan speciaal in zijn. Maar het geldt tegelijkertijd voor elke diersoort dat die speciaal is, omdat daar in de loop van de evolutie vermogens bij zijn ontwikkeld die bij geen ander dier voorkomen. Denk aan het vermogen tot echolocatie, wat we tot nu toe alleen tegenkomen bij dolfijnen en vleermuizen. Daarin zijn dolfijnen en vleermuizen speciaal. Op dezelfde manier moet je naar het taalvermogen bij mensen kijken: dat is dan hetgeen waar mensen speciaal in zijn.

Ook denkt men soms dat ik, door taal te zien als iets uniek menselijks, een breuk aanbreng in de continuïteit tussen mensen en alle andere dieren. Dat is inderdaad de positie geweest van René Descartes, die mensen als speciale wezens zag die door een god als enige wezens een geest geschonken hadden gekregen. Inmiddels is Descartes’ positie natuurlijk achterhaald en weten we nu dat de evolutie erop wijst dat er één groot continuüm bestaat tussen alles wat leeft. Als we dan naar de menselijke taal kijken, dan zet ik die wel apart van andere vormen van communicatie, maar natuurlijk ligt taal dan wel in het verlengde van de natuurlijke dierlijke communicatie. In de evolutie van de mens is op een gegeven moment taal ontwikkeld vanuit niet-talige communicatie, en in die zin is er dus gewoon een continuum tussen taal en communicatie. De tussenvormen die er zullen hebben bestaan zijn echter al lang uitgestorven en wat er over is gebleven zijn mensen die een volwaardige taal hebben ontwikkeld. Op een zelfde manier is het vermogen tot echolocatie bij dolfijnen en vleermuizen in een continuum geëvolueerd uit al eerder bestaande vormen van navigatie en exploratie. Ook daar lijken de tussenvormen daarvan inmiddels te zijn uitgestorven. Continuïteit tussen alle dieren en het bestaan van voor elk dier speciale vermogens bijt elkaar dus geenszins.

Zijn dieren zonder taal dan minder waard?

Vaak denkt men ook dat ik door de term ‘taal’ te beperken tot mensen ik daarmee alle andere dieren op een lager moreel plan zet, ze een lagere morele status geef. Maar ook dat is niet wat ik bedoel. In mijn eigen morele positie op het gebied van de dierethiek ga ik ervan uit dat de aanwezigheid van ervaringsbewustzijn (het vermogen om allerlei zaken subjectief te beleven, zoals pijn, plezier en allerlei andere emoties) een voldoende voorwaarde is voor morele gelijkheid tussen alle dieren die er bestaan. Voor alle gewervelde dieren is er inmiddels uit heel veel onderzoek naar gedrag en zenuwstelsel voldoende kennis om te concluderen dat zij ervaringsbewustzijn hebben. En ook voor ongewervelde dieren worden steeds meer studies gedaan, waardoor het ook meer aannemelijk wordt dat ook zij iets van ervaringsbewustzijn zouden kunnen hebben (zie bv. het onderzoek naar pijn bij allerlei ongewervelden).

Binnen mijn dierethische visie zijn dan vervolgens alle specifieke vermogens die een dier heeft verder volslagen onbelangrijk voor de manier waarop we met het dier omgaan. Een mens met taal is dus niet meer waard dan een aap zonder taal. Op dezelfde manier dat een dolfijn met echolocatie niet meer waard is dan een zeezoogdier zonder echolocatie. Alle dieren zijn dus gelijk! Helaas vergeet men dan vaak mijn eigen morele conclusies als ik op wetenschappelijk gebied wil verdedigen dat taal iets unieks menselijks is.

Over 10 jaar praten met je huisdier

In het interview in The Atlantic spreekt Con Slobodchikoff zijn optimisme uit dat we in de nabije toekomst op een vergelijkbare manier als bij de prairiehonden ook de communicatie van onze huisdieren tot in detail kunnen ontrafelen. Zolang de informatietechnologie zich verder ontwikkelt, zouden we over zo’n 5 of 10 jaar misschien een soort smartphone kunnen ontwikkelen die het geluid van je huisdier vertaalt in een menselijke zin. Een blaf van je hond zou dan kunnen betekenen “ik wil vanavond kip eten,” en een miauw van je kat zou kunnen zeggen: “je hebt mijn kattenbak de laatste tijd niet schoongemaakt.” En daar houdt het niet op, want met dezelfde smartphone zou je als mens vervolgens ook een geblafte of gemiauwde boodschap terug kunnen laten horen en op die manier een hele dialoog kunnen aangaan met je huisdier. Het apparaat zou dan jouw menselijke klanken vertalen in geblaf of gemiauw wat je hond of kat kan begrijpen. En niet alleen met honden en katten, maar mogelijk ook boerderijdieren of zelfs leeuwen en tijgers.

De massamedia pakken het op: ik word geinterviewd

EstebanEditieNLNatuurlijk kon deze opmerkelijke uitspraak van Slobodchikoff niet onopgemerkt blijven in medialand. In Nederland verscheen in het Algemeen Dagblad van 6 juni een artikel met als titel ‘Binnen nu en 10 jaar praten we met onze huisdieren.’ Op dezelfde dag werd er contact met mij opgenomen door de redactie van het programma Editie NL, wat elke werkdag na het RTL Nieuws van zes uur wordt uitgezonden op RTL 4. Een licht informatief programma, wat vooral als infotainment kan worden gekarakteriseerd. De volgende ochtend stond er een filmploeg in mijn huis en werd ik als Instituut voor Dieren in Filosofie en Wetenschap geinterviewd over Slobodchikoff’s optimistische uitspraak. Het interview zelf duurde zo’n 15 minuten, maar zoals dat meestal gaat bij korte items in de media, worden daar maar een paar zinnen of one-liners uitgehaald. ’s Avonds werd het programma uitgezonden, het item zelf duurde maar 2,5 minuten en inderdaad bleek dat mij uiteindelijk maar 2 of 3 zinnen toebedeeld was, naast een paar uitspraken van hondenenthousiast Martin Gaus. Het item kreeg de naam “Wat zeg je miauw?” en is nog op internet te zien, door op deze link te klikken. Mijn eigen mening over de boude claim van Slobodchikoff kwam overeen met die van Martin Gaus. Natuurlijk zijn er verschillende vormen van geblaf en gemiauw. Maar iemand die een goede band heeft met diens dierlijke huisgenoot en daar goed op let, die kan prima de boodschap van de hond of kat ontrafelen. Angstig geblaf klinkt anders dan blij en speels geblaf. En een groetende miauw van een kat is weer heel anders van geluid dan een dreinend gemiauw van een kat die onmiddelijk voer wil. Je hebt dus helemaal geen smartphone met een vertaalgadget nodig om met je huisdieren te communiceren! Ook geloof ik niet dat honden en katten zulke specifieke informatie communiceren dat ze boodschappen zouden uitzenden als “ik wil vanavond kip als diner!” Uiteraard hebben dieren individuele voorkeuren voor het soort voedsel dat ze willen eten, en kunnen ze dat ook nonverbaal aangeven als je hen verschillende types voedsel zou aanbieden waar ze uit mogen kiezen. Maar dat dergelijke informatie in hun geblaf of gemiauw verborgen zit vind ik zeer onwaarschijnlijk.

De eenzaamheid van de mens

EditieNLsiteAan mij als psycholoog van het Instituut voor Dieren in Filosofie en Wetenschap werd door Editie NL ook de vraag gesteld waarom mensen eigenlijk zo graag willen kunnen praten met hun huisdieren. Natuurlijk had ik daar een uitgebreid antwoord op, maar uiteraard te lang voor de vluchtige media. Uiteindelijk hebben ze deze zin uitgezonden: “Omdat we gewoon meer kennis willen hebben over dat andere dier, en we willen eigenlijk ook die eenzame positie die we een beetje hebben als mens als enige talige wezen op de wereld een beetje kunnen doorbreken door dus ook met andere dieren op dezelfde manier te kunnen kletsen.” Op de site van het programma Editie NL hadden ze daar weer iets anders van gemaakt. Daar stond het volgende: “Mensen voelen zich snel eenzaam. Wij willen praten met onze dieren omdat we op zoek zijn naar gezelschap. Het zit veel baasjes dwars dat ze niet kunnen praten met hun huisdier, terwijl die iedere dag bij ze is. We willen weten wat dieren denken, wat ze bezighoudt en wat ze willen.” Het is natuurlijk waar dat wij mensen meer informatie zouden willen hebben over wat er in andere dieren omgaat en juist het feit dat andere dieren geen taal hebben leidt er toe dat we als mensen soms gissen naar wat een dier denkt of voelt. Zeker als je dat tot in detail zou willen weten. De natuurlijke communicatie van andere dieren geeft ons mensen zeker heel veel informatie, zoals dat een hond of kat bang of blij is, maar diezelfde hond of kat communiceert niet tot in heel specifiek detail waaróm deze bang of blij is, bijvoorbeeld.

Maar wat betreft de eenzaamheid van de mens bedoelde ik helemaal niet dat eenzame mensen op zoek naar gezelschap met dieren willen kunnen praten. Zo lijkt het haast alsof vooral eenzame mensen contact willen hebben met andere dieren en dat is natuurlijk onzin. Nee, wat ik bedoelde is dat de mens dus als enige talige wezen in de wereld een eenzame positie bekleedt. Geen enkel ander dier kan op een talige manier communiceren en op dezelfde wijze als mensen tot in heel groot detail over alle innerlijke gedachten en gevoelens met elkaar praten. Als talige wezens zijn we zo gewend aan een talige manier van communicatie dat we bij andere dieren merken dat dat niet lukt. Zo merken we natuurlijk dat er nog veel voor ons verborgen blijft van wat er bij andere dieren in hen omgaat. Tegelijkertijd confronteert ons dat met het feit dat we de enige talige dieren zijn en dat kan een op filosofisch gebied eenzaam gevoel geven. De doorbraak die er in de jaren ’70 leek te zijn in het apentaalonderzoek met de gebarende mensapen nam dat eenzame gevoel tijdelijk enigszins weg en vervulde de mensheid in die tijd met de hoop dat we van alles te weten zouden kunnen komen over andere dieren en dat we met andere dieren op dezelfde gedetailleerde manier zouden kunnen praten over allerlei zaken van het leven e.d. Toen echter bleek dat ook de mensapen niet tot taal in staat waren vielen we weer terug in die eenzame positie. De dieren praatten niet terug en we kunnen geen enkel ander dier om diens mening of advies vragen en moeten het dus helemaal zelf alleen doen, met al onze twijfels, zorgen en grote vragen over het leven en de wereld in ons hoofd.

Kom naar de cursus Communicatie en taal bij dieren!

Bent U geboeid geraakt door deze hele discussie? Schrijf U dan in voor mijn cursus “Communicatie en taal bij dieren. Recente ontwikkelingen in wetenschappelijk onderzoek.” Op 3 zaterdagen in november geef ik in Amsterdam deze cursus voor iedereen die geinteresseerd is in het onderwerp. Naast de alarmkreten van prairiehonden, meerkatten en stokstaartjes gaan we daar uitgebreid in op al het taalonderzoek met dieren (mensapen, dolfijnen, zeeleeuwen, honden en papegaaien) en behandelen we ook de natuurlijke communicatie van mensapen, vogels (vogelzang en vogelroepe) en walvissen en dolfijnen. Klik hier voor meer informatie over deze cursus en om U aan te melden.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s